Overwegende dat het gepast voorkomt dit reglement aan te passen teneinde een verdere administratieve vereenvoudiging te realiseren;
Dat immers is gebleken dat de verschillende administratieve onderzoeken in bepaalde gevallen aanleiding gaven tot het opvragen van dezelfde informatie;
Dat het voorts aangewezen is om een aantal definities en het toepassingsgebied nader te omschrijven teneinde mogelijke misverstanden te vermijden;
Overwegende dat in de horecasector nieuwe fenomenen en uitbatingsvormen zich manifesteren zoals shishabars;
Dat het gepast voorkomt - gelet op de ervaringen met deze horecazaken - om specifieke bepalingen op te nemen nu blijkt dat in het bijzonder shishabars vaak bron zijn van allerlei vormen van overlast;
Dat minstens moet vermeden worden dat deze zaken zich vestigen in te grote concentraties en in woonwijken;
Overwegende dat de horecasector in het algemeen aanleiding kan geven tot vormen van overlast;
Dat er thans de mogelijkheid wordt voorzien in het reglement om hier adequaat te kunnen optreden;
Dat in die zin horecavergunningen en nachtvergunningen kunnen afgeleverd worden, gekoppeld aan bepaalde voorwaarden;
Gelet op de gemeentewet;
Gelet op het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017;
Gelet op het Koninklijk Besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
Gelet op de Wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers;
Gelet op het Koninklijk Besluit van 22 mei 2003 tot wijziging van het Koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse III, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse C;
Gelet de wet van 3 april 1953 inzake de samengeordende wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken;
Gelet op het Koninklijk besluit 3 april 1953 tot regeling van de uitvoering van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, samengeordend op 3 april 1953 Politiereglement betreffende de horecazaken en horecavergunning (2019)
Gelet op de Wet van 28 december 1983 betreffende de vergunning voor het verstrekken van sterke drank;
Gelet op de Wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen;
Gelet op het Koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot uitvoering van de artikelen 8, 8bis en 9 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen;
Gelet op de Wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties;
Gelet op de Wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook;
Gelet op het Koninklijk Besluit van 28 januari 2010 betreffende de vaststelling van de voorwaarden van het rookverbodsteken en van de installatie van een ventilatiesysteem;
Gelet op het Decreet houdende het toeristische logies van 05 februari 2016;
Doel
Deze verordening bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van horecazaken en gelijkaardige inrichtingen zoals bedoeld in artikel 2.1, definitie, moeten voldoen om:
Terminologie
Artikel 2.1. Definitie
Horecazaken zijn drank- en eetgelegenheden in lokalen of ruimten in privé- of openbare gebouwen, permanent ingericht om te worden gebruikt als ruimte waarin gewoonlijk dranken en/of maaltijden van welke aard ook worden verstrekt voor gebruik ter plaatse. Zonder limitatief te zijn wordt hieronder verstaan alle danszalen, herbergen, privéclubs, thee- en koffiehuizen, hotels, restaurants, snackbars, frituren, concertzalen, discotheken, casino’s, sportcomplexen, bioscopen, gemeenschapsvoorzieningen en over het algemeen alle drankgelegenheden, met inbegrip van die welke in openlucht gelegen zijn, die al dan niet tegen betaling (of op vertoon van een lidkaart) voor publiek toegankelijk zijn, ook al is de toegang tot bepaalde categorieën van personen beperkt.
Artikel 2.2.
Voor de terminologie wordt verwezen naar bijlage 1 aan het KB van 07.07.94 en zijn wijzigingen, tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen.
Artikel 2.3.
Voor de eisen in verband met reactie bij brand wordt verwezen naar bijlage 5 en 5/1 aan het KB van 07.07.94 en zijn wijzigingen, tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen.
Artikel 2.4.
Onder netto-vloeroppervlakte van de inrichting wordt verstaan de oppervlakte toegankelijk voor het publiek, verminderd met de oppervlakte van de tapkasten, podiums, vast meubilair (bijv. buffet), vestiaires en sanitair.
Artikel 2.5.
Onder " inrichtingen die als afhaalinrichting bestemd zijn" wordt verstaan: inrichtingen met maximaal 16 zitplaatsen die bestemd zijn voor plaatselijke consumptie.
Bepaling van het aantal toegelaten personen
Het aantal toegelaten personen wordt bepaald aan de hand van volgende criteria: • de netto-vloeroppervlakte van de inrichting • het aantal uitgangen • de nuttige breedte van uitgangen en evacuatiewegen
Artikel 3.1.
Op basis van de netto-vloeroppervlakte Het aantal toegelaten personen bedraagt:
Artikel 3.2.
Op basis van het aantal uitgangen Het aantal toegelaten personen is kleiner of gelijk aan de bezetting die, overeenkomstig artikel 7.1 en 12.5 van dit reglement, overeenstemt met het aantal uitgangen.
Artikel 3.3.
Op basis van de nuttige breedte De uitgangswegen, uitgangen en deuren moeten een totale nuttige breedte hebben die tenminste gelijk is, in centimeters, aan het aantal personen die ze moeten gebruiken om de uitgangen van het gebouw te bereiken. De trappen moeten een totale nuttige breedte hebben die tenminste gelijk is, in centimeters, aan dat getal vermenigvuldigd met 1,25 indien ze afdalen naar de uitgang en vermenigvuldigd met 2 indien ze ernaar opstijgen. De nuttige breedte van een uitgang of evacuatieweg bedraagt tenminste 0,8m. De vrije hoogte moet minstens 2m bedragen.
Artikel 3.4.
Bepaling maximum aantal toegelaten personen Het kleinste getal uit voorgaande berekeningen wordt aangenomen als het maximum aantal toegelaten personen tot de inrichting. Het maximaal aantal toegelaten personen wordt expliciet vermeld in het brandweerverslag en/of de exploitatievergunning. De exploitant en eventuele organisatoren zullen maatregelen (o.a. beperking aantal toegangskaarten, telsysteem, ...) nemen om overschrijding van dit aantal te voorkomen. Het aantal toegelaten personen moet duidelijk vermeld worden in de verhuurcontracten.
Hoofdstuk 2: Inplanting en toegangswegen
De toegangswegen tot de inrichting worden bepaald in akkoord met de brandweer volgens de leidraad van de basisnormen.
Hoofdstuk 3: Compartimentering en evacuatie
Bijgebouwen, uitspringende daken, luifels, uitkragende delen of andere dergelijke toevoegingen zijn enkel toegelaten indien daardoor noch de evacuatie, noch de veiligheid van de personen, noch de actie van de brandweer in het gedrang komen.
De inrichting vormt minstens één compartiment. In functie van de bezetting en de configuratie van de inrichting kan door de brandweer het aantal compartimenten verhoogd worden.
Artikel 6.1.
De inrichting dient gecompartimenteerd te zijn van woongedeelten met overnachtingsmogelijkheden, ongeacht deze in gebruik zijn door de uitbater en/of door derden. Indien deze compartimentering structureel niet kan gerealiseerd worden, kan hiervan worden afgeweken mits volgende voorwaarden:
Artikel 6.2.
Winkelcentra Inrichtingen die deel uit maken van winkelcentra moeten niet gecompartimenteerd zijn mits ze uitgerust zijn met een algemene automatische branddetectie-installatie. Het akoestische waarschuwingssignaal moet hoorbaar zijn in de gemeenschappelijke gangen van het winkelcentrum.
Evacuatie van de compartimenten
Aantal uitgangen
Elk compartiment heeft minimum:
Het minimum aantal uitgangen kan door de brandweer verhoogd worden in functie van de maximale bezetting en/of de configuratie van de lokalen.
Het aantal uitgangen van bouwlagen en lokalen wordt bepaald zoals voor de compartimenten.
Indien een deel van het gebouw waarin de inrichting is gelegen gebruikt wordt als privé lokalen voor de exploitant mag een uitgang van de inrichting ook dienst doen als uitgang van dit privé gedeelte.
Indien een deel van het gebouw waarin de inrichting is gelegen gebruikt wordt als privé lokalen voor derden, is voor dit gedeelte een afzonderlijke uitgang vereist.
Artikel 7.2. De uitgangen
De uitgangen zijn zoveel mogelijk gelegen in tegenovergestelde zones van het compartiment.
De evacuatiewegen moeten zodanig verdeeld zijn dat ze onafhankelijk van elkaar uitkomen op de openbare weg of op een voldoende grote vrije ruimte om zich veilig van het gebouw te kunnen verwijderen. De aanwezigen moeten het gebouw snel en veilig kunnen ontruimen.
Hoofdstuk 4: Voorschriften voor sommige bouwelementen
Structurele elementen
De structurele elementen (kolommen, dragende wanden, balken, vloeren,…) van de inrichting dienen een brandweerstand te bezitten overeenkomstig onderstaande tabel of zijn gebouwd in metselwerk en beton. Indien de inrichting deel uitmaakt van een groter geheel dienen de structurele elementen van de onderliggende bouwlagen eveneens te voldoen aan de gestelde eisen.
|
structuur van de inrichting en onderliggende bouwlagen |
|||
|
aantal bouwlagen van het gebouw |
bovengrondse structuur |
dakstructuur | ondergrondse structuur ** |
| 1 | n.v.t. | n.v.t. | R60 |
| 2/3 | R30 | R30* | R60 |
| >3 | R60 | R30* | R60 |
* Dit voorschrift is niet van toepassing indien het dak aan de binnenkant beschermd is door een bouwelement met een brandwerendheid van EI 30.
** Met inbegrip van de vloer van het laagste evacuatieniveau.
De brandweer kan bijkomende eisen stellen aan de brandweerstand van de structurele elementen.
Plafonds en valse plafonds (bij vernieuwing)
Artikel 9.1.
In de evacuatiewegen en in de voor het publiek toegankelijke lokalen hebben de verlaagde plafonds EI 30 (a→ → b), EI 30 (b a) of EI 30 (a ↔ b) volgens NBN EN 13501-2 en NBN EN 1364-2 of hebben een stabiliteit bij brand van een ½ h volgens NBN 713-020.
Artikel 9.2.
De ruimte tussen het plafond en het vals plafond wordt onderbroken door de verlenging van alle verticale wanden waarvoor een brandweerstand vereist is.
Hoofdstuk 5: Voorschriften inzake constructie van compartimenten en evacuatiewegen
Compartimenten
De wanden tussen compartimenten hebben ten minste een brandwerendheid van EI 30.
Indien de structurele elementen R 60 moeten hebben (cfr. art.8) dan hebben deze wanden EI 60. De verbindingsdeuren zijn zelfsluitend of zelfsluitend bij brand en hebben een brandweerstand van EI1 30.
Trappen
11.1. Trappenhuizen
De trappen die verscheidene compartimenten verbinden zijn omsloten.
De binnenwanden van de trappenhuizen hebben minstens een brandwerendheid van EI 30. Indien de structurele elementen R 60 moeten hebben (zie art 8) dan hebben deze wanden een brandwerendheid van EI 60. Hun buitenwanden mogen beglaasd zijn indien deze openingen over tenminste 1 m zijdelings afgezet zijn met een element E 30.
De trappenhuizen moeten toegang geven tot een evacuatieniveau.
Op iedere bouwlaag wordt de verbinding tussen het compartiment en het trappenhuis verzekerd door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur met EI130 die opendraait in de vluchtzin. Op een evacuatieniveau leidt iedere trap naar buiten, hetzij rechtstreeks, hetzij via een evacuatieweg die beantwoordt aan de voorschriften van artikel 12.
Nieuw te bouwen trappen gelegen in een trappenhuis hebben evenals de overlopen R30. Bovenaan de trappenhuizen moeten rookluiken met een doorsnede van minimum 1m² aangebracht worden, te bedienen van op het gelijkvloers. Indien trappenhuizen maximaal twee bovengrondse verdiepingen, met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 300 m², met het evacuatieniveau verbinden, mag de oppervlakte van de verluchtingsopening beperkt worden tot 0,5 m².
Artikel 11.2. Trappen
De trappen van de inrichting hebben de volgende kenmerken:
Evacuatiewegen en vluchtterrassen
Artikel 12.1.
De evacuatiewegen worden oordeelkundig verdeeld over de inrichting en moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van de personen toelaten.
Artikel 12.2.
De binnenwanden van de evacuatiewegen hebben minstens een brandwerendheid van EI 30. Indien de structurele elementen R 60 moeten hebben (cfr. art 8) dan hebben deze wanden een brandwerendheid van EI 60. Hun buitenwanden mogen beglaasd zijn indien deze beglaasde delen minimum 1 m verwijderd zijn van beglaasde delen van andere buitenwanden.
Artikel 12.3.
De deuren in de evacuatiewegen mogen geen vergrendeling bezitten die de evacuatie kan belemmeren. De af te leggen afstand van op elk punt van de inrichting of compartiment tot aan de dichtstbijzijnde uitgang bedraagt maximaal 30 m. Indien de uitgang uitgeeft op een evacuatieweg bedraagt de maximale af te leggen weg 45 m tot in de open lucht of tot het dichtstbijzijnde trappenhuis. Voor een trap bedraagt de horizontaal afgelegde afstand de te overbruggen verticale hoogte vermenigvuldigd met 2,5. De lengte van doodlopende evacuatiewegen mag niet meer dan 15 m bedragen. In functie van de bezetting en de configuratie van de inrichting kunnen door de brandweer deze maximaal af te leggen afstanden gereduceerd worden. Op een evacuatieniveau mogen geen uitstalramen van bouwdelen met een commerciële functie, die geen EI 30 hebben, uitgeven op de evacuatieweg die de uitgangen van andere bouwdelen verbindt met de openbare weg, met uitzondering van de laatste 3 m van deze evacuatieweg.
Artikel 12.4.
De borstweringen aan de overlopen van de trappen en de bordessen moeten minstens 1 m hoog zijn. Bij nieuwbouw of vernieuwing moeten de borstweringen 1,10 m hoog zijn. (1,20 m hoog als de valhoogte > 12 m).
Er wordt geadviseerd de borstweringen te construeren overeenkomstig NBN B 03-004 voor openbare gebouwen.
Artikel 12.5. Draaizin van uitgangsdeuren.
De deuren die gelegen zijn in de evacuatiewegen kunnen gemakkelijk geopend worden en draaien in de richting van de uitgang ofwel in beide richtingen.
De buitendeuren welke rechtstreeks op de openbare weg uitgeven, mogen niet buiten de rooilijn komen. Indien deze deuren noodzakelijkerwijze naar binnen draaien dienen zij te kunnen openslaan tegen een vast gedeelte van het gebouw en er stevig aan bevestigd worden. Gedurende de openingsuren zijn deze deuren in geopende stand vastgezet. Schuifdeuren, draaideuren (molen) en draaipaaltjes zijn in de evacuatiewegen en uitgangen verboden. Het gebruik van sleutelkastjes is verboden.
Artikel 12.6.
Het publiek moet alle uitgangen kunnen gebruiken.
Artikel 12.7.
Het is verboden om het even welke voorwerpen die de doorgangen kunnen belemmeren, te plaatsen in de uitgangen en wegen die ernaartoe leiden of de nuttige breedte ervan verminderen. Glazen wanden en de vleugels van glazen deuren moeten op zichthoogte een opvallend merkteken dragen.
Artikel 12.8.
De aanduiding van de uitgangen en nooduitgangen dient te voldoen aan de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk. Deze pictogrammen moeten vanuit alle hoeken van de inrichting goed zichtbaar zijn. De pictogrammen moeten verlicht worden door de normale verlichting en door de veiligheidsverlichting.
Artikel 12.9.
Deuren die niet op een uitgang uitgeven, moeten voorzien worden van een goed leesbaar opschrift ‘geen uitgang’ of een gelijkwaardig pictogram.
Hoofdstuk 6: Voorschriften voor sommige lokalen en technische ruimten
Technische lokalen en ruimten
Artikel 13.1. Algemeen
Een technisch lokaal of een geheel van technische lokalen vormt minstens één compartiment.
Artikel 13.2. Stookplaatsen
De wanden van de stookplaats en de brandstofopslagplaats gelegen in de inrichting of welke deel uitmaken van de inrichting moeten een brandweerstand bezitten van één uur (EI 60). De binnentoegangsdeuren van de stookplaats en de brandstofopslagplaats moeten een brandweerstand hebben van een half uur (EI1 30) en zijn zelfsluitend. De stookketel van de centrale verwarmingsinstallatie en de niet ingegraven brandstofopslagplaatsen zijn elk in afzonderlijke, uitsluitend daartoe bestemde, goed verluchte lokalen geïnstalleerd. De brandstofopslagplaatsen voor vloeibare brandstoffen moeten voorzien zijn van een vloeistofdichte inkuiping. Verwarmingsinstallaties gevoed met gas dienen niet in een stookplaats ondergebracht, voor zover de verwarmingsinstallaties een gecumuleerd vermogen hebben van minder dan 70 kW.
Bij vernieuwing van de generatoren, geldt de vrijstelling slechts voor de lokalen:
Artikel 13.3. Verwarmingsinstallaties
De verwarmingsinstallaties beantwoorden aan de voorschriften van de bestaande reglementeringen en normen. Ze worden geplaatst volgens de code van goed vakmanschap en zijn steeds in goede staat van werking en onderhoud, zodat ze een voldoende veiligheid verzekeren.
Elektrische verwarmingstoestellen die een zichtbare elektrische weerstand bevatten en installaties met brandbaar gas in verplaatsbare recipiënten zijn verboden, voor zover geplaatst in het gebouw.
De verwarmingstoestellen, behalve de elektrische toestellen en de luchtdichte gastoestellen met gevelafvoer, zijn verbonden met een schoorsteen die de rook afvoert.
Buitenverwarmingstoestellen (o.a. voor terrassen) moeten op een voldoende afstand van brandbare stoffen en materialen opgesteld staan of er zodanig van afgezonderd zijn dat brandgevaar of aanraking voorkomen wordt. Deze toestellen moeten vast opgesteld zijn en mogen de ontruiming niet belemmeren.
Artikel 13.4. Gastoevoer
Wanneer het gebouw waarin de inrichting gelegen is een algemene gastoevoerleiding bezit, dan moet daarop tenminste één handbediende en gemakkelijk bereikbare afsluitkraan aangebracht zijn. Deze wordt voorzien in het gebouw bij het begin van de leiding en is behoorlijk aangeduid.
De gasmeter wordt in een goed verlucht lokaal geplaatst. De gasleidingen zijn geel gemarkeerd.
Butaan- en propaangas in flessen, evenals de lege flessen, moeten in de open lucht worden ondergebracht.
De voedingsleidingen naar de verbruikstoestellen zijn vast met eventuele uitzondering van het laatste deel van de leiding. Deze leidingen beantwoorden aan de voorschriften van de bestaande reglementeringen en normen.
Artikel 13.5. Warme luchtverwarming
Artikel 13.5.1.
Bij warme luchtverwarming moeten de luchtkanalen uit niet-brandbaar materiaal vervaardigd zijn en moet de handbediening van de generator buiten de stookplaats aangebracht worden. Deze handbediening moet op een centrale plaats gesitueerd zijn.
Artikel 13.5.2.
In de stookplaatsen met warmeluchtgeneratoren, moeten brandwerende kleppen met EI 60 geplaatst worden in de luchtkanalen ter hoogte van de wanden van de stookplaats. Compenserende maatregelen voor bestaande stookplaatsen met warmeluchtgeneratoren zonder brandwerende kleppen in de luchtkanalen ter hoogte van de wanden van de stookplaats die aanvaard worden:
Bij herinrichting van bestaande stookplaatsen, zullen deze moeten voldoen aan de eisen voor de nieuwe stookplaatsen.
Keukens
De keukens worden van de andere gebouwdelen gescheiden door wanden met EI 60. Elke doorgang of doorgeefluik wordt afgesloten door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur of luik met EI1 30. Deze deuren draaien open in de vluchtrichting.
De keuken dient niet gecompartimenteerd ten opzichte van het voor publiek toegankelijke gedeelte:
Kooktoestellen en maaltijdverwarmers zijn ver genoeg verwijderd of geïsoleerd van alle ontvlambare materialen.
Hoofdstuk 7: Uitrusting van de gebouwen
Elektrische laagspanningsinstallaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie
Artikel 15.1.
Zij voldoen aan de voorschriften van de geldende wettelijke en reglementaire teksten, evenals aan het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI).
Artikel 15.2. Veiligheidsverlichting
De evacuatiewegen, de lokalen toegankelijk voor het publiek, de keuken en de voornaamste stroomborden moeten voorzien worden van een degelijke veiligheidsverlichting die een voldoende lichtsterkte heeft om een gebouw veilig te ontruimen;
De veiligheidsverlichting moet automatisch en onmiddellijk in werking treden bij het uitvallen van de gewone verlichting; zij moet minstens één uur zonder onderbreking kunnen functioneren.
De veiligheidsverlichting moet minstens een lichtsterkte hebben van 1 lux ter hoogte van de grond in de as van de vluchtweg en 5 lux op gevaarlijke plaatsen.
Installaties voor brandbaar gas
Deze installaties voldoen aan de reglementaire voorschriften en de regels van goed vakmanschap.
Installaties voor melding, waarschuwing en alarmering
Artikel 17.1.
De oproepnummers van de hulpdiensten dienen ter plaatse uit te hangen.
Artikel 17.2.
Afhankelijk van de grootte, de bezetting en de configuratie van de inrichting (aantal verdiepingen, meerdere lokalen, …) kan door de bevoegde brandweerdienst een alarminstallatie en/of een algemene automatische branddetectie-installatie opgelegd worden.
Brandbestrijdingsmiddelen
Artikel 18.1.
De brandweer bepaalt de blusmiddelen in functie van de aard en de omvang van het gevaar.
Artikel 18.2.
Het personeel moet duidelijke instructies ontvangen hebben over de taakverdeling bij brand, evacuatie en over het gebruik van de brandbestrijdingsmiddelen.
Artikel 18.3.
Het brandbestrijdingsmateriaal moet goed onderhouden worden, beschermd zijn tegen vorst, doelmatig gesignaleerd, gemakkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld. Het moet steeds onmiddellijk in werking kunnen gesteld worden.
Andere technische installaties (verluchting, R.W.A.-installaties, …)
In functie van de risico’s kan de brandweerzone nog bijkomende eisen opleggen voor andere technische installaties.
Hoofdstuk 8: Onderhoud en periodieke controle
Algemeen
De technische uitrusting van de inrichting wordt in goede staat gehouden. De uitbater laat op zijn verantwoordelijkheid periodiek de nodige keuringen, onderzoekingen en controles uitvoeren. De data van de controles en de vaststellingen die tijdens deze controles werden gedaan, worden in een dossier ingeschreven en bijgehouden. Dit dossier wordt ter beschikking gehouden van de burgemeester of zijn afgevaardigde (zie artikel 34).
Liften en goederenliften
Liften en goederenliften dienen onderhouden en gekeurd te worden volgens de vigerende wetgeving.
Elektrische installatie, veiligheidsverlichting, branddetectieinstallatie en alarm
De elektrische installatie en de veiligheidsverlichting worden voor de ingebruikname, bij veranderingen en om de vijf jaar gecontroleerd door een externe dienst voor technische controle. De veiligheidsverlichtingstoestellen moeten jaarlijks gecontroleerd worden op goede werking door een bevoegd persoon.
De algemene automatische brandmeldinstallaties en het alarm worden voor de ingebruikname, bij veranderingen en om de 5 jaar gecontroleerd door een externe dienst voor technische controle. Jaarlijks worden deze installaties gekeurd op autonomie en goede werking door een bevoegd technicus.
Installaties voor verwarming en klimaatregeling
Onverminderd de bepalingen van het Besluit van de Vlaamse Regering van 08.12.2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, worden jaarlijks de installaties met vaste of vloeibare brandstoffen voor centrale verwarming en centrale klimaatregeling nagezien door een bevoegd technicus.
De afvoerkanalen voor rook- en verbrandingsgassen worden steeds in goede staat gehouden en jaarlijks gecontroleerd door een bevoegd technicus of een bevoegd persoon.
De toestellen op gasvormige brandstoffen worden tweejaarlijks gecontroleerd door een bevoegd technicus.
Installaties gevoed met brandbaar gas
De dichtheid van de gasinstallatie wordt voor de ingebruikname, bij veranderingen en om de vijf jaar gekeurd door een externe dienst voor technische controle of een gehabiliteerd persoon. Tweejaarlijks wordt de goede werking van de installatie gecontroleerd door een bevoegd technicus.
Brandbestrijdingstoestellen
De uitbater draagt er zorg voor dat de brandbestrijdingstoestellen jaarlijks nagezien en onderhouden worden door een bevoegd persoon.
Filters en kokers van dampkappen
De uitbater draagt er zorg voor dat de filters en kokers van dampkappen regelmatig nagezien en onderhouden worden.
Deuren, verluchtingsopeningen en andere veiligheidsvoorzieningen
De uitbater draagt er zorg voor dat de deuren, luiken, verluchtingsopeningen en andere veiligheidsvoorzieningen opgenomen in deze verordening jaarlijks nagezien en onderhouden worden.
Samenvattende tabel voor periodieke controles en keuringen
| VOORWERP | Art | UITVOERDER | PERIODICITEIT |
| Liften | 21 | Conform vigerende wetgeving | Conform vigerende wetgeving |
| Hoogspanning | EDTC | Jaarlijk | |
| Laagspanning | 22 | EDTC | Vijfjaarlijk* |
|
Veiligheidsverlichting (lichtsterkte, autonomie) |
22 | EDTC | Vijfjaarlijk* |
|
Verwarmings- en luchtbehandelingstoestellen op gas (goede werking) |
23 | BT | 2-jaarlijks |
|
Gasleidingen en –toestellen, vaste lpg-tanks
Onderhoud |
24 |
BT of EDTC
BT |
Vijfjaarlijkse dichtheidscontrole *
2-jaarlijks |
|
Automatische gasdetectie/brandstofafsluiters (indien aanwezig: goede werking) |
22 |
BT EDTC |
Jaarlijks Vijfjaarlijks * |
|
Verwarmings- en luchtbehandelingstoestellen op vloeibare/vaste brandstof : goede werking inclusief conformiteit afvoer rookgassen en aanvoer verse lucht voor toestellen met open verbranding |
23 | BT | Jaarlijks |
|
Schoorsteen en rookkanalen (toestellen op vloeibare/vaste brandstof) |
23 | BT | Jaarlijks |
|
Melding- , waarschuwings- en alarminstallatie (autonomie, goede werking) |
22 |
BT EDTC |
Jaarlijks Vijfjaarlijks * |
|
Algemene automatische branddetectie (conformiteit, autonomie, goede werking) inclusief bbzs brandwerende deuren en luiken, rookevacuatiekoepels |
22 |
BT EDTC |
Jaarlijks Vijfjaarlijks * |
| Filters en kokers van dampkappen | 26 | BP of BT | Jaarlijks |
|
Draagbare brandblustoestellen (goede werking) |
25 | BT | Jaarlijks |
|
Muurhaspels en –hydranten (indien aanwezig: goede werking) |
25 | BT | Jaarlijks |
|
Veiligheidsverlichting (goede werking) |
27-22 | BP | Jaarlijks |
|
Brandwerende deuren en luiken, blusmiddelen, evacuatiewegen, trappen, ladders, enz.… (goede staat, bruikbaarheid) |
27 | BP | Driemaandelijks |
Hoofdstuk 9: Bekledingsmaterialen
Gemakkelijk brandbare materialen, zoals karton, doeken, rietmatten, kunststoffen, e.a. mogen niet als wand- of plafondbekleding of als versiering aangebracht worden.
Verticaal hangende doeken mogen geen deur of uitgang aan het zicht onttrekken of het gebruik ervan bemoeilijken.
Bij herinrichting moeten bekledingsmaterialen van vloeren, wanden en plafonds respectievelijk:
Volle, hardhouten parketvloeren (dit zijn o.a. eik, beuk, es, tropische houtsoorten,...) die op een betonnen ondervloer aangebracht zijn, mogen gebruikt worden zolang het KB van 07.07.1994 en zijn wijzigingen geen strengere eisen oplegt.
Bij nieuwbouw of vernieuwing worden de eisen opgelegd zoals voor zalen, opgenomen in bijlage 5/1 aan het KB van 07.07.1994 omtrent de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen.
De bekledingsmaterialen van zitmeubilair en de overgordijnen moeten bij herinrichting van klasse M2 zijn conform NF P 92501-7 of Class 2 conform NBN EN 13773. Zitmeubelen voldoen ook als ze een verbeterd brandgedrag hebben conform de normen NBN EN 1021-1 en NBN EN 1021-2.
Hoofdstuk 10: Uitbatingsvoorschriften
Algemeen
Buiten hetgeen voorzien is door onderhavige verordening, neemt de uitbater alle nodige maatregelen om de personen, aanwezig in de inrichting, te beschermen tegen brand, paniek en ontploffing.
De uitbater zal het publiek niet toelaten tot de inrichting dan na zich dagelijks ervan te hebben vergewist dat aan de voorschriften van deze verordening voldaan is.
Relatie uitbater-organisator
De uitbater ziet erop toe dat de bepalingen van deze verordening worden nageleefd door alle organisatoren die in zijn lokaal/uitbating een feestactiviteit laten plaatsvinden.
Voorlichting van het personeel en de gasten inzake brandpreventie
De verantwoordelijke en het personeel van de inrichting moeten op de hoogte zijn van de gevaren die zich bij brand in de inrichting kunnen voordoen. In het bijzonder dienen zij over voldoende kennis te beschikken in verband met :
Plannen (facultatief)
Aan de ingang moet een plan van de inrichting aanwezig zijn, bedoeld om de hulpdiensten in te lichten, dat de plaats aanduidt van :
Veiligheidsregister
In elke inrichting dient een veiligheidsregister ter inzage te liggen voor de bevoegde personen.
Dit register bevat informatie over veiligheidsvoorschriften en vergunningen:
De exploitant zal te allen tijde tot de inrichting toelating verlenen aan de burgemeester en de bevoegde ambtenaren.
Op hun vraag is de eigenaar en/of exploitant verplicht een door hem ondertekende beschrijving van de samenstelling van de materialen en bouwelementen te geven en het bewijs te leveren dat aan de voorschriften is voldaan.
Hoofdstuk 11: Slotbepalingen
Afwijkingen
Onverminderd de bepalingen van het A.R.A.B. of andere wettelijke bepalingen, kan de burgemeester, na raadpleging van de betrokken diensten, afwijkingen toestaan. Hij kan onder dezelfde voorwaarden bijkomende maatregelen voorschrijven of de sluiting bevelen.
De vraag van een uitbater tot het bekomen van een afwijking, in te dienen bij de burgemeester, dient duidelijk gemotiveerd te zijn. Gedetailleerde plannen, een verklarende nota en de voorgestelde bijkomende veiligheidsmaatregelen, dienen bijgevoegd.
Alternatieve oplossingen moeten een veiligheidsniveau bieden dat tenminste gelijk is aan het niveau vereist in de voorschriften.
Inwerkingtreding
Onderhavig besluit treedt in werking met ingang van datum van goedkeuring door de Gemeenteraad.