Terug
Gepubliceerd op 23/01/2020

2019_GR_00154 - Aanpassingen aan de politieverordening omtrent brandveiligheid in horecazaken en gelijkaardige inrichtingen - Goedkeuring

Gemeenteraad
do 28/11/2019 - 20:00 Raadzaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Robben Martens, Ann Schrijvers, Matty Coninx, Dirk Smits, Marina Seurs, Veerle Remans, Eric Niesten, Servaas Dreesen, Rita Indestege, Anita Nijssen, Yannick Eurlings, Martin van der Sman, Bart Bamps, Ward Lenaerts, Filip Olaerts, Sofie Herremans, Pascal Hermans, Heidi Thijs, Marc Vanhengel

Verontschuldigd

Rozette Reyskens

Secretaris

Marc Vanhengel

Stemming op het agendapunt

2019_GR_00154 - Aanpassingen aan de politieverordening omtrent brandveiligheid in horecazaken en gelijkaardige inrichtingen - Goedkeuring
Goedgekeurd

Aanwezig

Robben Martens, Ann Schrijvers, Matty Coninx, Dirk Smits, Marina Seurs, Veerle Remans, Eric Niesten, Servaas Dreesen, Rita Indestege, Anita Nijssen, Yannick Eurlings, Martin van der Sman, Bart Bamps, Ward Lenaerts, Filip Olaerts, Sofie Herremans, Pascal Hermans, Heidi Thijs, Marc Vanhengel
Stemmen voor 18
Rita Indestege, Ann Schrijvers, Dirk Smits, Matty Coninx, Marina Seurs, Martin van der Sman, Filip Olaerts, Heidi Thijs, Sofie Herremans, Robben Martens, Veerle Remans, Eric Niesten, Servaas Dreesen, Anita Nijssen, Yannick Eurlings, Bart Bamps, Pascal Hermans, Ward Lenaerts
Stemmen tegen 0
Onthoudingen 0
Blanco stemmen 0
Ongeldige stemmen 0
2019_GR_00154 - Aanpassingen aan de politieverordening omtrent brandveiligheid in horecazaken en gelijkaardige inrichtingen - Goedkeuring 2019_GR_00154 - Aanpassingen aan de politieverordening omtrent brandveiligheid in horecazaken en gelijkaardige inrichtingen - Goedkeuring

Motivering

Aanleiding, context en argumentatie

Overwegende dat het gepast voorkomt dit reglement aan te passen teneinde een verdere administratieve vereenvoudiging te realiseren;

Dat immers is gebleken dat de verschillende administratieve onderzoeken in bepaalde gevallen aanleiding gaven tot het opvragen van dezelfde informatie;

Dat het voorts aangewezen is om een aantal definities en het toepassingsgebied nader te omschrijven teneinde mogelijke misverstanden te vermijden;

Overwegende dat in de horecasector nieuwe fenomenen en uitbatingsvormen zich manifesteren zoals shishabars;

Dat het gepast voorkomt - gelet op de ervaringen met deze horecazaken - om specifieke bepalingen op te nemen nu blijkt dat in het bijzonder shishabars vaak bron zijn van allerlei vormen van overlast;

Dat minstens moet vermeden worden dat deze zaken zich vestigen in te grote concentraties en in woonwijken;

Overwegende dat de horecasector in het algemeen aanleiding kan geven tot vormen van overlast;

Dat er thans de mogelijkheid wordt voorzien in het reglement om hier adequaat te kunnen optreden;

Dat in die zin horecavergunningen en nachtvergunningen kunnen afgeleverd worden, gekoppeld aan bepaalde voorwaarden;

Juridische grond

Gelet op de gemeentewet;

Gelet op het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017;

Gelet op het Koninklijk Besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;

Gelet op de Wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers;

Gelet op het Koninklijk Besluit van 22 mei 2003 tot wijziging van het Koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse III, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse C;

Gelet de wet van 3 april 1953 inzake de samengeordende wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken;

Gelet op het Koninklijk besluit 3 april 1953 tot regeling van de uitvoering van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, samengeordend op 3 april 1953 Politiereglement betreffende de horecazaken en horecavergunning (2019)

Gelet op de Wet van 28 december 1983 betreffende de vergunning voor het verstrekken van sterke drank;

Gelet op de Wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen;

Gelet op het Koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot uitvoering van de artikelen 8, 8bis en 9 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen;

Gelet op de Wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties;

Gelet op de Wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook;

Gelet op het Koninklijk Besluit van 28 januari 2010 betreffende de vaststelling van de voorwaarden van het rookverbodsteken en van de installatie van een ventilatiesysteem;

Gelet op het Decreet houdende het toeristische logies van 05 februari 2016; 

Besluit

De gemeenteraad beslist:

Artikel 1

Doel

Deze verordening bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van horecazaken en gelijkaardige inrichtingen zoals bedoeld in artikel 2.1, definitie, moeten voldoen om:

  • het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen;
  • de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen;
  • preventief het ingrijpen van de brandweer te vergemakkelijken.

Artikel 2

Terminologie

Artikel 2.1. Definitie

Horecazaken zijn drank- en eetgelegenheden in lokalen of ruimten in privé- of openbare gebouwen, permanent ingericht om te worden gebruikt als ruimte waarin gewoonlijk dranken en/of maaltijden van welke aard ook worden verstrekt voor gebruik ter plaatse. Zonder limitatief te zijn wordt hieronder verstaan alle danszalen, herbergen, privéclubs, thee- en koffiehuizen, hotels, restaurants, snackbars, frituren, concertzalen, discotheken, casino’s, sportcomplexen, bioscopen, gemeenschapsvoorzieningen en over het algemeen alle drankgelegenheden, met inbegrip van die welke in openlucht gelegen zijn, die al dan niet tegen betaling (of op vertoon van een lidkaart) voor publiek toegankelijk zijn, ook al is de toegang tot bepaalde categorieën van personen beperkt.

Artikel 2.2.

Voor de terminologie wordt verwezen naar bijlage 1 aan het KB van 07.07.94 en zijn wijzigingen, tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen.

Artikel 2.3.

Voor de eisen in verband met reactie bij brand wordt verwezen naar bijlage 5 en 5/1 aan het KB van 07.07.94 en zijn wijzigingen, tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen.

Artikel 2.4.

Onder netto-vloeroppervlakte van de inrichting wordt verstaan de oppervlakte toegankelijk voor het publiek, verminderd met de oppervlakte van de tapkasten, podiums, vast meubilair (bijv. buffet), vestiaires en sanitair.

Artikel 2.5.

Onder " inrichtingen die als afhaalinrichting bestemd zijn" wordt verstaan: inrichtingen met maximaal 16 zitplaatsen die bestemd zijn voor plaatselijke consumptie.

Artikel 3

Bepaling van het aantal toegelaten personen

Het aantal toegelaten personen wordt bepaald aan de hand van volgende criteria: • de netto-vloeroppervlakte van de inrichting • het aantal uitgangen • de nuttige breedte van uitgangen en evacuatiewegen

Artikel 3.1.

Op basis van de netto-vloeroppervlakte Het aantal toegelaten personen bedraagt:

  • voor inrichtingen voorzien van tafels en stoelen (of ander los meubilair) 1,5 personen per m² netto-vloeroppervlakte. Dit aantal wordt naar het juist hoger geheel getal afgerond;
  • voor inrichtingen zonder tafels of stoelen 3 personen per m² netto – vloeroppervlakte;
  • voor inrichtingen waar de bezoekers uitsluitend gebruik maken van zitplaatsen, zoals verbruiksalons en restaurants, is het toegelaten aantal aanwezigen gelijk aan het aantal zitplaatsen;
  • voor inrichtingen voor gemengd gebruik, waarbij het gedeelte zonder tafels en stoelen minder dan 20m² bedraagt, wordt het maximaal aantal toegelaten aanwezigen vastgesteld op 1,5 personen per m² voor de totale nettovloeroppervlakte. Dit aantal wordt naar het juist hoger geheel getal afgerond;
  • voor inrichtingen voor gemengd gebruik, waarbij het gedeelte zonder tafels en stoelen meer dan 20m² bedraagt, wordt het maximaal aantal toegelaten aanwezigen vastgesteld op 3 personen per m² voor het gedeelte zonder tafels en stoelen en 1,5 personen per m² voor het gedeelte met tafels en stoelen. Dit aantal wordt naar het juist hoger geheel getal afgerond.

Artikel 3.2.

Op basis van het aantal uitgangen Het aantal toegelaten personen is kleiner of gelijk aan de bezetting die, overeenkomstig artikel 7.1 en 12.5 van dit reglement, overeenstemt met het aantal uitgangen.

Artikel 3.3.

Op basis van de nuttige breedte De uitgangswegen, uitgangen en deuren moeten een totale nuttige breedte hebben die tenminste gelijk is, in centimeters, aan het aantal personen die ze moeten gebruiken om de uitgangen van het gebouw te bereiken. De trappen moeten een totale nuttige breedte hebben die tenminste gelijk is, in centimeters, aan dat getal vermenigvuldigd met 1,25 indien ze afdalen naar de uitgang en vermenigvuldigd met 2 indien ze ernaar opstijgen. De nuttige breedte van een uitgang of evacuatieweg bedraagt tenminste 0,8m. De vrije hoogte moet minstens 2m bedragen.

Artikel 3.4.

Bepaling maximum aantal toegelaten personen Het kleinste getal uit voorgaande berekeningen wordt aangenomen als het maximum aantal toegelaten personen tot de inrichting. Het maximaal aantal toegelaten personen wordt expliciet vermeld in het brandweerverslag en/of de exploitatievergunning. De exploitant en eventuele organisatoren zullen maatregelen (o.a. beperking aantal toegangskaarten, telsysteem, ...) nemen om overschrijding van dit aantal te voorkomen. Het aantal toegelaten personen moet duidelijk vermeld worden in de verhuurcontracten.

Hoofdstuk 2: Inplanting en toegangswegen

Artikel 4

De toegangswegen tot de inrichting worden bepaald in akkoord met de brandweer volgens de leidraad van de basisnormen.

Hoofdstuk 3: Compartimentering en evacuatie

Artikel 5

Bijgebouwen, uitspringende daken, luifels, uitkragende delen of andere dergelijke toevoegingen zijn enkel toegelaten indien daardoor noch de evacuatie, noch de veiligheid van de personen, noch de actie van de brandweer in het gedrang komen.

Artikel 6

De inrichting vormt minstens één compartiment. In functie van de bezetting en de configuratie van de inrichting kan door de brandweer het aantal compartimenten verhoogd worden.

Artikel 6.1.

De inrichting dient gecompartimenteerd te zijn van woongedeelten met overnachtingsmogelijkheden, ongeacht deze in gebruik zijn door de uitbater en/of door derden. Indien deze compartimentering structureel niet kan gerealiseerd worden, kan hiervan worden afgeweken mits volgende voorwaarden:

  • overleg met de brandweer;
  • enkel ten behoeve van de uitbater;
  • het een bestaande inrichting betreft;
  • de inrichting voorzien wordt van een algemene en automatische branddetectieinstallatie, overeenkomstig de norm NBN S21-100 deel 1 en 2;
  • het akoestische waarschuwingssignaal moet hoorbaar zijn in alle vertrekken van de woon- of overnachtingsmogelijkheid.

Artikel 6.2.

Winkelcentra Inrichtingen die deel uit maken van winkelcentra moeten niet gecompartimenteerd zijn mits ze uitgerust zijn met een algemene automatische branddetectie-installatie. Het akoestische waarschuwingssignaal moet hoorbaar zijn in de gemeenschappelijke gangen van het winkelcentrum.

Evacuatie van de compartimenten

Artikel 7

Aantal uitgangen

Elk compartiment heeft minimum:

  • één uitgang indien de maximale bezetting minder dan 100 personen bedraagt;
  • twee uitgangen indien de maximale bezetting 100 of meer dan 100 en minder dan 500 personen bedraagt;
  • 2 + n uitgangen waarbij "n" het geheel getal is onmiddellijk groter dan de deling door 1000 van de maximale bezetting van het compartiment, indien de bezetting 500 of meer dan 500 personen bedraagt.

Het minimum aantal uitgangen kan door de brandweer verhoogd worden in functie van de maximale bezetting en/of de configuratie van de lokalen.

Het aantal uitgangen van bouwlagen en lokalen wordt bepaald zoals voor de compartimenten.

Indien een deel van het gebouw waarin de inrichting is gelegen gebruikt wordt als privé lokalen voor de exploitant mag een uitgang van de inrichting ook dienst doen als uitgang van dit privé gedeelte.

Indien een deel van het gebouw waarin de inrichting is gelegen gebruikt wordt als privé lokalen voor derden, is voor dit gedeelte een afzonderlijke uitgang vereist.

Artikel 7.2. De uitgangen

De uitgangen zijn zoveel mogelijk gelegen in tegenovergestelde zones van het compartiment.

De evacuatiewegen moeten zodanig verdeeld zijn dat ze onafhankelijk van elkaar uitkomen op de openbare weg of op een voldoende grote vrije ruimte om zich veilig van het gebouw te kunnen verwijderen. De aanwezigen moeten het gebouw snel en veilig kunnen ontruimen.

Hoofdstuk 4: Voorschriften voor sommige bouwelementen

Artikel 8

Structurele elementen

De structurele elementen (kolommen, dragende wanden, balken, vloeren,…) van de inrichting dienen een brandweerstand te bezitten overeenkomstig onderstaande tabel of zijn gebouwd in metselwerk en beton. Indien de inrichting deel uitmaakt van een groter geheel dienen de structurele elementen van de onderliggende bouwlagen eveneens te voldoen aan de gestelde eisen.

 

    structuur van de inrichting en onderliggende bouwlagen

aantal bouwlagen

van het gebouw

bovengrondse

structuur

dakstructuur ondergrondse structuur **
1 n.v.t. n.v.t. R60
2/3 R30 R30* R60
>3 R60 R30* R60

 

* Dit voorschrift is niet van toepassing indien het dak aan de binnenkant beschermd is door een bouwelement met een brandwerendheid van EI 30.

** Met inbegrip van de vloer van het laagste evacuatieniveau.

 

De brandweer kan bijkomende eisen stellen aan de brandweerstand van de structurele elementen.

Artikel 9

Plafonds en valse plafonds (bij vernieuwing)

Artikel 9.1.

In de evacuatiewegen en in de voor het publiek toegankelijke lokalen hebben de verlaagde plafonds EI 30 (a→ → b), EI 30 (b a) of EI 30 (a ↔ b) volgens NBN EN 13501-2 en NBN EN 1364-2 of hebben een stabiliteit bij brand van een ½ h volgens NBN 713-020.

Artikel 9.2.

De ruimte tussen het plafond en het vals plafond wordt onderbroken door de verlenging van alle verticale wanden waarvoor een brandweerstand vereist is.

Hoofdstuk 5: Voorschriften inzake constructie van compartimenten en evacuatiewegen

Artikel 10

Compartimenten

De wanden tussen compartimenten hebben ten minste een brandwerendheid van EI 30.

Indien de structurele elementen R 60 moeten hebben (cfr. art.8) dan hebben deze wanden EI 60. De verbindingsdeuren zijn zelfsluitend of zelfsluitend bij brand en hebben een brandweerstand van EI1 30.

Artikel 11

Trappen

11.1. Trappenhuizen

De trappen die verscheidene compartimenten verbinden zijn omsloten.

De binnenwanden van de trappenhuizen hebben minstens een brandwerendheid van EI 30. Indien de structurele elementen R 60 moeten hebben (zie art 8) dan hebben deze wanden een brandwerendheid van EI 60. Hun buitenwanden mogen beglaasd zijn indien deze openingen over tenminste 1 m zijdelings afgezet zijn met een element E 30.

De trappenhuizen moeten toegang geven tot een evacuatieniveau.

Op iedere bouwlaag wordt de verbinding tussen het compartiment en het trappenhuis verzekerd door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur met EI130 die opendraait in de vluchtzin. Op een evacuatieniveau leidt iedere trap naar buiten, hetzij rechtstreeks, hetzij via een evacuatieweg die beantwoordt aan de voorschriften van artikel 12.

Nieuw te bouwen trappen gelegen in een trappenhuis hebben evenals de overlopen R30. Bovenaan de trappenhuizen moeten rookluiken met een doorsnede van minimum 1m² aangebracht worden, te bedienen van op het gelijkvloers. Indien trappenhuizen maximaal twee bovengrondse verdiepingen, met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 300 m², met het evacuatieniveau verbinden, mag de oppervlakte van de verluchtingsopening beperkt worden tot 0,5 m².

Artikel 11.2. Trappen

De trappen van de inrichting hebben de volgende kenmerken:

  1. zij zijn aan beide zijden uitgerust met leuningen. Voor de trappen met een nuttige breedte, kleiner dan 1,20 m, is één leuning voldoende, voor zover er geen gevaar is voor het vallen;
  2. de aantrede van de treden is in elk punt tenminste 0,20 m;
  3. de optrede van de treden mag niet meer dan 18 cm bedragen;
  4. hun helling mag niet meer dan 75% bedragen (maximaal hellingshoek 37°);
  5. zij zijn van het “rechte" type. Maar “wenteltrappen” worden toegestaan zo ze verdreven treden hebben en zo hun treden, naast de vereisten van voorgaande punten, ten minste 24 cm aantrede hebben op de looplijn. De minimum aantrede over de gehele trapbreedte bedraagt minstens 0,20 m;
  6. de treden moeten slipvrij zijn.

Artikel 12

Evacuatiewegen en vluchtterrassen

Artikel 12.1.

De evacuatiewegen worden oordeelkundig verdeeld over de inrichting en moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van de personen toelaten.

Artikel 12.2.

De binnenwanden van de evacuatiewegen hebben minstens een brandwerendheid van EI 30. Indien de structurele elementen R 60 moeten hebben (cfr. art 8) dan hebben deze wanden een brandwerendheid van EI 60. Hun buitenwanden mogen beglaasd zijn indien deze beglaasde delen minimum 1 m verwijderd zijn van beglaasde delen van andere buitenwanden.

Artikel 12.3.

De deuren in de evacuatiewegen mogen geen vergrendeling bezitten die de evacuatie kan belemmeren. De af te leggen afstand van op elk punt van de inrichting of compartiment tot aan de dichtstbijzijnde uitgang bedraagt maximaal 30 m. Indien de uitgang uitgeeft op een evacuatieweg bedraagt de maximale af te leggen weg 45 m tot in de open lucht of tot het dichtstbijzijnde trappenhuis. Voor een trap bedraagt de horizontaal afgelegde afstand de te overbruggen verticale hoogte vermenigvuldigd met 2,5. De lengte van doodlopende evacuatiewegen mag niet meer dan 15 m bedragen. In functie van de bezetting en de configuratie van de inrichting kunnen door de brandweer deze maximaal af te leggen afstanden gereduceerd worden. Op een evacuatieniveau mogen geen uitstalramen van bouwdelen met een commerciële functie, die geen EI 30 hebben, uitgeven op de evacuatieweg die de uitgangen van andere bouwdelen verbindt met de openbare weg, met uitzondering van de laatste 3 m van deze evacuatieweg.

Artikel 12.4.

De borstweringen aan de overlopen van de trappen en de bordessen moeten minstens 1 m hoog zijn. Bij nieuwbouw of vernieuwing moeten de borstweringen 1,10 m hoog zijn. (1,20 m hoog als de valhoogte > 12 m).

Er wordt geadviseerd de borstweringen te construeren overeenkomstig NBN B 03-004 voor openbare gebouwen.

Artikel 12.5. Draaizin van uitgangsdeuren.

De deuren die gelegen zijn in de evacuatiewegen kunnen gemakkelijk geopend worden en draaien in de richting van de uitgang ofwel in beide richtingen.

  • Voor inrichtingen waarvan de capaciteit maximum 49 personen bedraagt, mag de deur naar binnen draaien.
  • Voor inrichtingen met een capaciteit van meer dan 49 en minder dan 100 personen moet ten minste één uitgangsdeur in beide richtingen ofwel in de richting van de uitgang opendraaien.
  • Voor inrichtingen met een capaciteit vanaf 100 personen moeten alle uitgangsdeuren in beide richtingen ofwel in de richting van de uitgang opendraaien.

De buitendeuren welke rechtstreeks op de openbare weg uitgeven, mogen niet buiten de rooilijn komen. Indien deze deuren noodzakelijkerwijze naar binnen draaien dienen zij te kunnen openslaan tegen een vast gedeelte van het gebouw en er stevig aan bevestigd worden. Gedurende de openingsuren zijn deze deuren in geopende stand vastgezet. Schuifdeuren, draaideuren (molen) en draaipaaltjes zijn in de evacuatiewegen en uitgangen verboden. Het gebruik van sleutelkastjes is verboden.

Artikel 12.6.

Het publiek moet alle uitgangen kunnen gebruiken.

Artikel 12.7.

Het is verboden om het even welke voorwerpen die de doorgangen kunnen belemmeren, te plaatsen in de uitgangen en wegen die ernaartoe leiden of de nuttige breedte ervan verminderen. Glazen wanden en de vleugels van glazen deuren moeten op zichthoogte een opvallend merkteken dragen.

Artikel 12.8.

De aanduiding van de uitgangen en nooduitgangen dient te voldoen aan de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk. Deze pictogrammen moeten vanuit alle hoeken van de inrichting goed zichtbaar zijn. De pictogrammen moeten verlicht worden door de normale verlichting en door de veiligheidsverlichting.

Artikel 12.9.

Deuren die niet op een uitgang uitgeven, moeten voorzien worden van een goed leesbaar opschrift ‘geen uitgang’ of een gelijkwaardig pictogram.

Hoofdstuk 6: Voorschriften voor sommige lokalen en technische ruimten

Artikel 13

Technische lokalen en ruimten

Artikel 13.1. Algemeen

Een technisch lokaal of een geheel van technische lokalen vormt minstens één compartiment.

Artikel 13.2. Stookplaatsen

De wanden van de stookplaats en de brandstofopslagplaats gelegen in de inrichting of welke deel uitmaken van de inrichting moeten een brandweerstand bezitten van één uur (EI 60). De binnentoegangsdeuren van de stookplaats en de brandstofopslagplaats moeten een brandweerstand hebben van een half uur (EI1 30) en zijn zelfsluitend. De stookketel van de centrale verwarmingsinstallatie en de niet ingegraven brandstofopslagplaatsen zijn elk in afzonderlijke, uitsluitend daartoe bestemde, goed verluchte lokalen geïnstalleerd. De brandstofopslagplaatsen voor vloeibare brandstoffen moeten voorzien zijn van een vloeistofdichte inkuiping. Verwarmingsinstallaties gevoed met gas dienen niet in een stookplaats ondergebracht, voor zover de verwarmingsinstallaties een gecumuleerd vermogen hebben van minder dan 70 kW.

Bij vernieuwing van de generatoren, geldt de vrijstelling slechts voor de lokalen:

  • waarin enkel generatoren op gas met gesloten verbrandingsruimte met mechanische trek opgesteld zijn en met een totaal nuttig warmtevermogen kleiner dan 70 kW
  • of deze waarvan het totaal nuttig warmtevermogen van de generatoren opgesteld in het lokaal kleiner is dan 30 kW.

Artikel 13.3. Verwarmingsinstallaties

De verwarmingsinstallaties beantwoorden aan de voorschriften van de bestaande reglementeringen en normen. Ze worden geplaatst volgens de code van goed vakmanschap en zijn steeds in goede staat van werking en onderhoud, zodat ze een voldoende veiligheid verzekeren.

Elektrische verwarmingstoestellen die een zichtbare elektrische weerstand bevatten en installaties met brandbaar gas in verplaatsbare recipiënten zijn verboden, voor zover geplaatst in het gebouw.

De verwarmingstoestellen, behalve de elektrische toestellen en de luchtdichte gastoestellen met gevelafvoer, zijn verbonden met een schoorsteen die de rook afvoert.

Buitenverwarmingstoestellen (o.a. voor terrassen) moeten op een voldoende afstand van brandbare stoffen en materialen opgesteld staan of er zodanig van afgezonderd zijn dat brandgevaar of aanraking voorkomen wordt. Deze toestellen moeten vast opgesteld zijn en mogen de ontruiming niet belemmeren.

Artikel 13.4. Gastoevoer

Wanneer het gebouw waarin de inrichting gelegen is een algemene gastoevoerleiding bezit, dan moet daarop tenminste één handbediende en gemakkelijk bereikbare afsluitkraan aangebracht zijn. Deze wordt voorzien in het gebouw bij het begin van de leiding en is behoorlijk aangeduid.

De gasmeter wordt in een goed verlucht lokaal geplaatst. De gasleidingen zijn geel gemarkeerd.

Butaan- en propaangas in flessen, evenals de lege flessen, moeten in de open lucht worden ondergebracht.

De voedingsleidingen naar de verbruikstoestellen zijn vast met eventuele uitzondering van het laatste deel van de leiding. Deze leidingen beantwoorden aan de voorschriften van de bestaande reglementeringen en normen.

Artikel 13.5. Warme luchtverwarming

Artikel 13.5.1.

Bij warme luchtverwarming moeten de luchtkanalen uit niet-brandbaar materiaal vervaardigd zijn en moet de handbediening van de generator buiten de stookplaats aangebracht worden. Deze handbediening moet op een centrale plaats gesitueerd zijn.

Artikel 13.5.2.

In de stookplaatsen met warmeluchtgeneratoren, moeten brandwerende kleppen met EI 60 geplaatst worden in de luchtkanalen ter hoogte van de wanden van de stookplaats. Compenserende maatregelen voor bestaande stookplaatsen met warmeluchtgeneratoren zonder brandwerende kleppen in de luchtkanalen ter hoogte van de wanden van de stookplaats die aanvaard worden:

  • Voor generatoren op gasvormige brandstoffen: het warmeluchtkanaal (vertrekkanaal) dient voorzien te worden van een automatische rookdetectie-installatie die tevens de energietoevoer van de brander en de luchtcirculatie automatisch onderbreekt.
  • Voor generatoren op vaste en vloeibare brandstoffen: de brander dient voorzien te worden van een vaste automatische blusinstallatie die tevens de energietoevoer van de brander en de luchtcirculatie automatisch onderbreekt. 

Bij herinrichting van bestaande stookplaatsen, zullen deze moeten voldoen aan de eisen voor de nieuwe stookplaatsen.

Artikel 14

Keukens

De keukens worden van de andere gebouwdelen gescheiden door wanden met EI 60. Elke doorgang of doorgeefluik wordt afgesloten door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur of luik met EI1 30. Deze deuren draaien open in de vluchtrichting.

De keuken dient niet gecompartimenteerd ten opzichte van het voor publiek toegankelijke gedeelte:

  • indien de frituur- en woktoestellen voorzien worden van een vaste automatische blusinstallatie die tevens de energietoevoer automatisch onderbreekt.
  • als de gezamenlijke olie-inhoud van alle frituur- en woktoestellen samen, kleiner is dan 8 l.
  • als de inrichting als afhaalinrichting bestemd is (cfr. art.2.5). 

Kooktoestellen en maaltijdverwarmers zijn ver genoeg verwijderd of geïsoleerd van alle ontvlambare materialen.

Hoofdstuk 7: Uitrusting van de gebouwen

Artikel 15

Elektrische laagspanningsinstallaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie

Artikel 15.1.

Zij voldoen aan de voorschriften van de geldende wettelijke en reglementaire teksten, evenals aan het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI).

Artikel 15.2. Veiligheidsverlichting

De evacuatiewegen, de lokalen toegankelijk voor het publiek, de keuken en de voornaamste stroomborden moeten voorzien worden van een degelijke veiligheidsverlichting die een voldoende lichtsterkte heeft om een gebouw veilig te ontruimen;

De veiligheidsverlichting moet automatisch en onmiddellijk in werking treden bij het uitvallen van de gewone verlichting; zij moet minstens één uur zonder onderbreking kunnen functioneren.

De veiligheidsverlichting moet minstens een lichtsterkte hebben van 1 lux ter hoogte van de grond in de as van de vluchtweg en 5 lux op gevaarlijke plaatsen.

Artikel 16

Installaties voor brandbaar gas

Deze installaties voldoen aan de reglementaire voorschriften en de regels van goed vakmanschap.

Artikel 17

Installaties voor melding, waarschuwing en alarmering

Artikel 17.1.

De oproepnummers van de hulpdiensten dienen ter plaatse uit te hangen.

Artikel 17.2.

Afhankelijk van de grootte, de bezetting en de configuratie van de inrichting (aantal verdiepingen, meerdere lokalen, …) kan door de bevoegde brandweerdienst een alarminstallatie en/of een algemene automatische branddetectie-installatie opgelegd worden.

Artikel 18

Brandbestrijdingsmiddelen

Artikel 18.1.

De brandweer bepaalt de blusmiddelen in functie van de aard en de omvang van het gevaar.

Artikel 18.2.

Het personeel moet duidelijke instructies ontvangen hebben over de taakverdeling bij brand, evacuatie en over het gebruik van de brandbestrijdingsmiddelen.

Artikel 18.3.

Het brandbestrijdingsmateriaal moet goed onderhouden worden, beschermd zijn tegen vorst, doelmatig gesignaleerd, gemakkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld. Het moet steeds onmiddellijk in werking kunnen gesteld worden.

Artikel 19

Andere technische installaties (verluchting, R.W.A.-installaties, …)

In functie van de risico’s kan de brandweerzone nog bijkomende eisen opleggen voor andere technische installaties.

Hoofdstuk 8: Onderhoud en periodieke controle

Artikel 20

Algemeen

De technische uitrusting van de inrichting wordt in goede staat gehouden. De uitbater laat op zijn verantwoordelijkheid periodiek de nodige keuringen, onderzoekingen en controles uitvoeren. De data van de controles en de vaststellingen die tijdens deze controles werden gedaan, worden in een dossier ingeschreven en bijgehouden. Dit dossier wordt ter beschikking gehouden van de burgemeester of zijn afgevaardigde (zie artikel 34).

Artikel 21

Liften en goederenliften

Liften en goederenliften dienen onderhouden en gekeurd te worden volgens de vigerende wetgeving.

Artikel 22

Elektrische installatie, veiligheidsverlichting, branddetectieinstallatie en alarm

De elektrische installatie en de veiligheidsverlichting worden voor de ingebruikname, bij veranderingen en om de vijf jaar gecontroleerd door een externe dienst voor technische controle. De veiligheidsverlichtingstoestellen moeten jaarlijks gecontroleerd worden op goede werking door een bevoegd persoon.

De algemene automatische brandmeldinstallaties en het alarm worden voor de ingebruikname, bij veranderingen en om de 5 jaar gecontroleerd door een externe dienst voor technische controle. Jaarlijks worden deze installaties gekeurd op autonomie en goede werking door een bevoegd technicus.

Artikel 23

Installaties voor verwarming en klimaatregeling

Onverminderd de bepalingen van het Besluit van de Vlaamse Regering van 08.12.2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, worden jaarlijks de installaties met vaste of vloeibare brandstoffen voor centrale verwarming en centrale klimaatregeling nagezien door een bevoegd technicus.

De afvoerkanalen voor rook- en verbrandingsgassen worden steeds in goede staat gehouden en jaarlijks gecontroleerd door een bevoegd technicus of een bevoegd persoon.

De toestellen op gasvormige brandstoffen worden tweejaarlijks gecontroleerd door een bevoegd technicus.

Artikel 24

Installaties gevoed met brandbaar gas

De dichtheid van de gasinstallatie wordt voor de ingebruikname, bij veranderingen en om de vijf jaar gekeurd door een externe dienst voor technische controle of een gehabiliteerd persoon. Tweejaarlijks wordt de goede werking van de installatie gecontroleerd door een bevoegd technicus.

Artikel 25

Brandbestrijdingstoestellen

De uitbater draagt er zorg voor dat de brandbestrijdingstoestellen jaarlijks nagezien en onderhouden worden door een bevoegd persoon.

Artikel 26

Filters en kokers van dampkappen

De uitbater draagt er zorg voor dat de filters en kokers van dampkappen regelmatig nagezien en onderhouden worden.

Artikel 27

Deuren, verluchtingsopeningen en andere veiligheidsvoorzieningen

De uitbater draagt er zorg voor dat de deuren, luiken, verluchtingsopeningen en andere veiligheidsvoorzieningen opgenomen in deze verordening jaarlijks nagezien en onderhouden worden.

Artikel 28

Samenvattende tabel voor periodieke controles en keuringen

VOORWERP Art UITVOERDER PERIODICITEIT
Liften 21 Conform vigerende wetgeving Conform vigerende wetgeving
Hoogspanning   EDTC Jaarlijk
Laagspanning 22 EDTC Vijfjaarlijk*

Veiligheidsverlichting

(lichtsterkte, autonomie)

22 EDTC Vijfjaarlijk*

Verwarmings- en

luchtbehandelingstoestellen

op gas (goede werking)

23 BT 2-jaarlijks

Gasleidingen en –toestellen,

vaste lpg-tanks

 

Onderhoud

24

BT  of EDTC

 

 

BT

Vijfjaarlijkse dichtheidscontrole *

 

 

2-jaarlijks

Automatische

gasdetectie/brandstofafsluiters

(indien aanwezig: goede werking)

22

BT

EDTC

Jaarlijks

Vijfjaarlijks *

Verwarmings- en luchtbehandelingstoestellen

op vloeibare/vaste brandstof :

goede werking inclusief conformiteit afvoer rookgassen

en aanvoer verse lucht voor toestellen met open verbranding

23 BT Jaarlijks

Schoorsteen en rookkanalen

(toestellen op vloeibare/vaste brandstof)

23 BT Jaarlijks

Melding- , waarschuwings- en alarminstallatie

(autonomie, goede werking)

22

BT

EDTC

Jaarlijks

Vijfjaarlijks *

Algemene automatische branddetectie

(conformiteit, autonomie, goede werking)

inclusief bbzs brandwerende deuren

en luiken, rookevacuatiekoepels

22

BT

EDTC

Jaarlijks

Vijfjaarlijks *

Filters en kokers van dampkappen 26 BP of BT Jaarlijks

Draagbare brandblustoestellen

(goede werking)

25 BT Jaarlijks

Muurhaspels en –hydranten

(indien aanwezig: goede werking)

25 BT Jaarlijks

Veiligheidsverlichting

(goede werking)

27-22 BP Jaarlijks

Brandwerende deuren en luiken,

blusmiddelen, evacuatiewegen,

trappen, ladders, enz.…

(goede staat, bruikbaarheid)

27 BP Driemaandelijks
    • * tevens voor ingebruikname en bij veranderingen
    • EDTC: externe dienst voor technische controles
    • BP: bevoegde persoon: persoon die al dan niet tot het eigen personeel behoort (zie artikel 28 van het ARAB) of de exploitant zelf, op voorwaarde dat hij voldoende kennis van de toestellen heeft
    • BT: bevoegde technicus: persoon of organisatie met de nodige kennis, het nodige materiaal, de nodige erkenning, enz.… om dergelijke controles te doen (bijvoorbeeld gasdichtheid: gehabiliteerde installateur; verwarming: erkende technicus, enz.…)
    • Zs: zelfsluitend
    • Bbzs: bij brand zelfsluitend

Hoofdstuk 9: Bekledingsmaterialen

Artikel 29

Gemakkelijk brandbare materialen, zoals karton, doeken, rietmatten, kunststoffen, e.a. mogen niet als wand- of plafondbekleding of als versiering aangebracht worden.

Verticaal hangende doeken mogen geen deur of uitgang aan het zicht onttrekken of het gebruik ervan bemoeilijken.

Bij herinrichting moeten bekledingsmaterialen van vloeren, wanden en plafonds respectievelijk:

  • van klasse A3, A2 en A1 zijn, overeenkomstig bijlage 5 aan het KB van 07.07.1994 en zijn wijzigingen omtrent de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen;
  • of van klasse CFl-s2, C-s2, d2 en C-s2, d0, overeenkomstig bijlage 5/1.

Volle, hardhouten parketvloeren (dit zijn o.a. eik, beuk, es, tropische houtsoorten,...) die op een betonnen ondervloer aangebracht zijn, mogen gebruikt worden zolang het KB van 07.07.1994 en zijn wijzigingen geen strengere eisen oplegt.

Bij nieuwbouw of vernieuwing worden de eisen opgelegd zoals voor zalen, opgenomen in bijlage 5/1 aan het KB van 07.07.1994 omtrent de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen.

De bekledingsmaterialen van zitmeubilair en de overgordijnen moeten bij herinrichting van klasse M2 zijn conform NF P 92501-7 of Class 2 conform NBN EN 13773. Zitmeubelen voldoen ook als ze een verbeterd brandgedrag hebben conform de normen NBN EN 1021-1 en NBN EN 1021-2.

Hoofdstuk 10: Uitbatingsvoorschriften

Artikel 30

Algemeen

Buiten hetgeen voorzien is door onderhavige verordening, neemt de uitbater alle nodige maatregelen om de personen, aanwezig in de inrichting, te beschermen tegen brand, paniek en ontploffing.

De uitbater zal het publiek niet toelaten tot de inrichting dan na zich dagelijks ervan te hebben vergewist dat aan de voorschriften van deze verordening voldaan is.

Artikel 31

Relatie uitbater-organisator

De uitbater ziet erop toe dat de bepalingen van deze verordening worden nageleefd door alle organisatoren die in zijn lokaal/uitbating een feestactiviteit laten plaatsvinden.

Artikel 32

Voorlichting van het personeel en de gasten inzake brandpreventie

De verantwoordelijke en het personeel van de inrichting moeten op de hoogte zijn van de gevaren die zich bij brand in de inrichting kunnen voordoen. In het bijzonder dienen zij over voldoende kennis te beschikken in verband met :

  • de detectie en het alarm;
  • de te nemen schikkingen om de veiligheid van de personen te verzekeren;
  • het bestaan en de werking van de brandbestrijdingsmiddelen.

Artikel 33

Plannen (facultatief)

Aan de ingang moet een plan van de inrichting aanwezig zijn, bedoeld om de hulpdiensten in te lichten, dat de plaats aanduidt van :

  • de trappen en de evacuatiewegen;
  • de beschikbare brandbestrijdingsmiddelen;
  • in voorkomend geval, het stopmechanisme van het ventilatiesysteem;
  • in voorkomend geval, het overzichtsbord van het detectie- en alarmsysteem;
  • de stookplaatsen;

Artikel 34

Veiligheidsregister

In elke inrichting dient een veiligheidsregister ter inzage te liggen voor de bevoegde personen.

Dit register bevat informatie over veiligheidsvoorschriften en vergunningen:

  • exploitatievergunning;
  • verslagen van de periodieke controles (artikel 21);
  • verzekeringspolis en attest burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekering tegen brand en ontploffing (KB. van 28 februari 1990)

Artikel 35

De exploitant zal te allen tijde tot de inrichting toelating verlenen aan de burgemeester en de bevoegde ambtenaren.

Op hun vraag is de eigenaar en/of exploitant verplicht een door hem ondertekende beschrijving van de samenstelling van de materialen en bouwelementen te geven en het bewijs te leveren dat aan de voorschriften is voldaan.

Hoofdstuk 11: Slotbepalingen

Artikel 36

Afwijkingen

Onverminderd de bepalingen van het A.R.A.B. of andere wettelijke bepalingen, kan de burgemeester, na raadpleging van de betrokken diensten, afwijkingen toestaan. Hij kan onder dezelfde voorwaarden bijkomende maatregelen voorschrijven of de sluiting bevelen.

De vraag van een uitbater tot het bekomen van een afwijking, in te dienen bij de burgemeester, dient duidelijk gemotiveerd te zijn. Gedetailleerde plannen, een verklarende nota en de voorgestelde bijkomende veiligheidsmaatregelen, dienen bijgevoegd.

Alternatieve oplossingen moeten een veiligheidsniveau bieden dat tenminste gelijk is aan het niveau vereist in de voorschriften.

Artikel 37

Inwerkingtreding

Onderhavig besluit treedt in werking met ingang van datum van goedkeuring door de Gemeenteraad.