Overwegende dat de gemeentelijke begraafplaats onderworpen is aan het gezag, het beheer en het toezicht van de gemeentelijke overheden die ervoor moeten zorgen dat er geen wanorde heerst, dat er geen handelingen verricht worden die strijdig zijn met de aan de overledenen verschuldigde eerbied en dat er geen ontgravingen verricht worden zonder dat daartoe toelating werd verleend;
Overwegende dat het toezicht op lijkstoeten bij de gemeenteoverheid berust, die zorg draagt dat zij ordelijk, welvoeglijk en met de aan doden verschuldigde eerbied verlopen;
Overwegende dat de gemeenteraad de uitoefening moet regelen van ieder recht om, tenzij de overledene anders heeft beschikt of zijn verwanten zich ertegen verzetten, op het graf van zijn verwante of vriend een grafteken te doen plaatsen;
Overwegende dat de gemeenteraad alles regelt wat betrekking heeft op de afmetingen van de graftekens en de aard van de te gebruiken materialen en de ornamenten;
Overwegende dat de gemeenteraad de afstand tussen de grafkuilen bepaalt;
Overwegende dat de gemeenteraad concessies kan verlenen en de voorwaarden hiervan vaststelt;
Overwegende dat de gemeenteraad die bevoegdheid kan overdragen aan het college van burgemeester en schepenen;
Gelet op de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, zoals gewijzigd;
Gelet op het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging; zoals gewijzigd;
Gelet op het besluit van 14 mei 2004 van de Vlaamse regering tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria, zoals gewijzigd;
Gelet op het besluit van 21 oktober 2005 van de Vlaamse regering tot bepaling van de voorwaarden waaraan een doodskist of een ander lijksomhulsel moet beantwoorden;
Het gemeentelijk reglement op de begraafplaats en lijkbezorging wordt gewijzigd.
Het retributiereglement wordt gewijzigd.